Talent

Ik kom uit een muzikale familie, iets waarop ik mij niet laat voorstaan, want weliswaar is muziek een van die weinige emolumenten des levens waar je géén kanker van krijgt, maar muzikaliteit gaat helaas wel vaak samen met  krankzinnigheid, en anders in ieder geval met drankzucht, zelfoverschatting, een slecht gebit en een gebrek aan  tocht-en schimmelvrije behuizing.

Dat gold  in ieder geval voor mijn vader, en ook voor Mozart, waarbij overigens  iedere gelijkenis tussen die twee ophoudt. Mijn vader was indertijd leraar aan een conservatorium, maar eigenlijk had hij het véél verder kunnen schoppen. Althans, dat dacht mijn moeder. Als hij weer eens dronken in slaap was gevallen op de uit zijn oude eend gesloopte achterbank in de zijkamer, placht ze bitter te fluisteren:  ‘Hij had indertijd een tien voor orgelspelen. Een tíen. Hij had kunnen opgaan voor de prix d’excellence. Maar hij dééd het niet’.

Inderdaad speelde mijn vader orgel, wat slordig maar niet onverdienstelijk . Ik zat ‘s zondags met bungelende beentjes naast hem, terwijl hij in de Haarlemse Liduinakerk het ene na het andere register opentrok. ‘Vox humana’ vond ik het mooist. Na afloop, in de pastorie, kreeg ik altijd een plak cake van zuster Irene, en mijn vader een borrel, de eerste van een lange ketting waar hij de rest van de middag zou blijven rijgen in het Haarlemse café ‘Sjaak van Egmond’, een voormalige wielrenner die óók aan lager wal was geraakt. Maar diens kinderen hoefden tenminste niet naar muziekles,  en wij wél, want voor mijn vader stond de muzikaliteit van zijn gebroed ten onrechte buiten kijf.

Het was in die tijd gangbaar om te beginnen met de blokfluit: zo’n ding was immers goedkoop en makkelijk te vervoeren, maar het schrille gepiep van die ‘kutcanon van Pachelbel’ (Adriaan Jaeggi) werd mijn ouders al gauw teveel. Daarom kregen wij achtereenvolgens de viool, gitaar, cello, piano en dwarsfluit  opgedrongen waarop wij het, ondanks de inspanningen van door mijn vader tegen scherp concurrerende vergoedingen ingehuurde bevriende muziekleraren nooit verder brachten dan ‘un, dun, dip’.

Mijn broer heeft zelfs nog een tijd  geprobeerd de klarinet te  bespelen, waarbij hij zó’n smartelijk geluid voortbracht dat onze toenmalige kat, een schrander dier, telkens bij hem op schoot sprong en het instrument letterlijk met haar pootjes uit zijn handen probeerde te trekken.

Gelukkig verliet mijn vader ons gezin voorgoed toen ik een jaar of tien was, waarna het ook met zijn muzikale bemoeienissen was afgelopen. Eindelijk konden we op ons gemak naar Toppop kijken zonder dat hij het geluid telkens uitdraaide. Sindsdien heb ik geen instrument meer aangeraakt, en ik nam me  stellig voor dat mijn kinderen nooit de lijdensweg van  muzieklessen zouden hoeven ondergaan.

Maar hoe gaan die dingen: de stokoude sovjetpiano (merk: ‘dageraad’) die huisgenoot P. ooit voornamelijk uit decoratief oogpunt aanschafte voor een paar tientjes, bleek een onweerstaanbare aantrekkingskracht op ons  dochtertje  uit te oefenen. Voor ik het wist speelde ze op eigen kracht de godganse dag ‘Un, dun, dip’, dus wat doe je dan, als  moeder?

Ik huurde een pianojuf, Mrs. Wright. Zij komt nu elke week bij ons aan huis, maar na het uurtje les gaat ze niet weg, o nee. Ze neemt mij telkens in de keuken apart, grijpt  me bij een mouw, en vertelt met hese bibberstem en starende ogen lange, vreemde verhalen . Zij was  een wonderkind. Ze trad over de hele wereld op voor de beau monde. Ze trouwde een onverlaat die haar liet zitten met negen kinderen. Ze werd  ontvoerd door een engerd met een mes die haar weken vasthield in een schuur.

Ze hád het ver kunnen schoppen , maar de slagen van het noodlot  hebben haar gereduceerd tot een beverige pianojuf met waanideen, in een schraal bontjasje.  ‘Maar uw dochter heeft talent, veel talent!’ bezweert Mrs. Wright mij hijgend. Inderdaad speelt het kind verdacht vlot van blad, met plezier nota bene. Misschien slaat muzikaliteit een generatie over? Met minachting en deernis denk ik aan mijn vader.

Ik weet nog steeds niet wat de prix d’excellence is. Dat hoop ik zo te houden.