Mad Men

Hoe is het mogelijk dat iemand verliefd wordt op een fictief personage? Van mijn dochter begreep ik het, een jaar of acht geleden, nog wel: zij was drie, en koesterde een groot zwak voor de teletubbie Dipsy. Dat was dan ook beslist de coolste van die vier, een swingende neger met een hoge hoed, waartegen dat huppelkutje Lala, het geslachtsloze,  licht achterlijke kleutertje Po en de nichterige handtasjesdrager Tinky Winky geen schijn van kans maakten. Dipsy was tenminste een echte man, voorzover een teletubbie een echte man kan zijn, maar goed, een kinderhand is gauw gevuld. Voor een vierenveertigjarige vrouw ligt zoiets ingewikkelder. Mijn generatie hoort het leuk te vinden als een man met een baby in een draagzak rondloopt, zijn dochtertje niet alleen naar balletles brengt, maar ook een uurtje eerder vrij neemt om nieuwe beenwarmers met haar te kopen in precies de juiste kleur roze, of bloemen schuin afsnijdt en netjes rangschikt in een passende vaas in plaats van ze ‘zo lang’ even in de WC-pot te zetten om er vervolgens later op de avond dronken overheen te pissen. Dat hóren wij leuk te vinden, en dat vínden wij ook. Maar waarom zijn wij dan zo verliefd op Don Draper, de schofterige hoofdpersoon uit Mad Men?
Wie Mad Men niet kent moet nu onverwijld de complete serie in huis halen en met een slof sigaretten en een fles whisky lekker gaan zitten kijken. Denk u eens in: een succesvol reclamebureau op Manhattan, begin jaren zestig. De mannen hebben allemaal brilliantine-haar, hagelwitte overhemden, geile dure auto’s en harde, sexistische rotkarakters. De vrouwen dragen loeistrakke mantelpakjes en beehive-kapsels, ze bedienen die klootzakken op hun wenken, laten zich giechelend op de kont slaan en gaan zonder protesteren met hun getrouwde baas naar bed. En dat zijn dan nog de carrierevrouwen: eenmaal getrouwd  staan ze op hoge hakken achter het fornuis, te koken voor een vent die niet thuis komt omdat hij elders aan het zuipen en schuinsmarcheren is. Trouwens, vrijwel iedereen in de serie rookt, naait en drinkt dusdanig onafgebroken dat het je zelfs als op dat vlak doorgewinterde toeschouwer na een tijdje gaat duizelen: je kunt het lauwe beddengoed, de volle asbakken en gemorste Martini’s bijna ruiken. Het is haast niet te bevatten dat die tegenwoordig zo preutse, rook-en drankvrije, politiek correcte, saaie upperclass-Amerikanen nog maar een halve eeuw geleden zo tekeer gingen. ‘Wat is er sindsdien gebeurd, wanneer is het misgegaan?’ denk ik als kijker spijtig, en ik ben de enige niet. Op talloze blogs, fora en ezines worden woeste discussies gevoerd over de impact van de serie. ‘Eindelijk zien we weer eens een échte man op de TV’ verzuchten zelfs overtuigde feministes. Heel vrouwelijk Amerika is, haars ondanks, in de ban van die overspelige, harteloze en ontzettend lekkere Don Draper. Het fictieve personage dus, en niet de (overigens briljante) acteur Jon Hamm. Zonder dat mooie pak, die gladde zijscheiding en zijn scheve charmeursgrijns is er aan die man niks bijzonders te zien. Je hoeft hem alleen nog maar in een Smart te zetten en er blijft helemáál niks meer van over.  Zijn sexy uitstraling heeft hij uitsluitend te danken aan de rol die hij speelt: die van een gewetenloze egoist. Een man die tegen zijn secretaresse dingen zegt als: ‘Liefde bestaat niet. Wat jij liefde noemt is bedacht door jongens zoals ik, om nylonkousen te verkopen’. Een man die wekenlang onvindbaar is voor zijn zwangere vrouw en kinderen terwijl hij met een twintigjarig meisje op het strand ligt. En voor zo’n man zouden honderdduizenden vrouwen hun eigen, risotto roerende, luiers verschonende metroman zomaar willen verloochenen ? Dat is wel een héél erge klap in het gezicht van elke arme kerel, die zich de vrouwenemancipatie de afgelopen decennia tegen heug en meug door de strot heeft laten duwen, en na moeizaam doorslikken tot de conclusie moet komen dat zijn vrouw niet meer met hém naar bed wil, maar met een hufter in een door een andere vrouw gestreken overhemd.
Het is ook nóóit goed.